IVN Vecht & Plassengebied - Kennis der Natuur


Excursies | Vogels | Vleermuizen | Natuurgebieden | Groencursus | Natuurgidsencursus | Organisatie | IVN Vecht & Plassengebied

Fotoboek | Natuurkrant | Vogelreis Falsterbo | Waterkwaliteit | Virtuele excursie Gunterstein | Poelenwerkgroep het Gooi

Kerkuil (Tyto Alba)

Kerkuil (Tyto Alba)
Klik op de foto voor een groter exemplaar


 

Geluid:

ETI BioInformatics, SoortenBank.nl

Grootte: -

Biotoop: boerderijen en dorpen in halfopen kleinschalig landschap.

De zeer tot de verbeelding sprekende kerkuil broedt en jaagt vaak in menselijke omgeving, maar slechts weinigen krijgen hem wat beter te zien. Veel voorkomende broedplaatsen zijn boerenschuren, kerktorens en andere bouwwerken, een enkele keer ook holle bomen. Het voedsel bestaat voornamelijk uit veldmuizen, aangevuld met huisspits- en bosspitsmuizen.

Territorium: -

Trekken of blijven: Jonge kerkuilen kunnen soms flinke zwerftochten maken, maar eenmaal gevestigde vogels verblijven hun leven lang in hetzelfde leefgebied.

15 oktober 2000 werd op de luchthaven van Minneapolis, de hoofdstad van de Amerikaanse staat Minnesota, een Kerkuil teruggevonden, geringd op 17 juni 2000 op een boerderij 1,5 kilometer ten westen van Medemblik, Noord-Holland.
Het betreft hier de eerste transatlantische terugmelding van een Nederlandse Kerkuil. De vogel 'freshly dead' was kennelijk op Schiphol in een onderdeel van een vliegtuig beland en 'moved unintentionally by aircraft', aldus de tekst op het Vogeltrekstation terugmeldingsformulier.
Bron: Ben Nijeboer, Rijssen.

Bedreigd of niet? De kerkuil staat op de Rode Lijst vanwege de duidelijke afname van het aantal broedparen.

Tot in de jaren vijftig broedden jaarlijks minstens 1500 tot 3000 paar kerkuilen in halfopen landelijk gebied, vooral in het midden en oosten des lands. De turbulente ontwikkelingen op het platteland (verkavelingen, intensiever graslandgebruik, effectievere muizenbestrijding, verdwijnen ruige hoekjes en dergelijke) maakten het leven voor de kerkuilen er niet makkelijker op, hetgeen tot gevolg had dat na een - op zich normale - forse terugval door de strenge winter van 1963 en vooral die van 1979 nauwelijks meer een herstel optrad. In 1980 waren nog maar 100 paar kerkuilen over. Sindsdien gaat het de soort weer wat beter, hetgeen mede te danken is aan het intensieve beschermingsprogramma. De laatste jaren broeden weer 700-1200 paar kerkuilen in ons land, waarvan zo'n driekwart in Friesland, Drenthe, Overijssel en Gelderland.

De afname van de kerkuil werd deels veroorzaakt door het verdwijnen van nestgelegenheid in kerken en boerenschuren. Begin jaren zeventig werd een nestkast-programma opgezet. De speciaal voor de soort gemaakte nestkasten bleken goed aan te slaan; inmiddels broedt zo'n tachtig procent van de Nederlandse kerkuilen erin! De door Vogelbescherming ondersteunde Kerkuilen Werkgroep Nederland bestaat uit regionale groepen die zich bezighouden met het aanbrengen en onderhouden van nestkasten en het geven van voorlichting; een schoolvoorbeeld van een goed geslaagd beschermings-initiatief. Toch blijft bescherming natuurlijk niet bij kasten alleen. Alleen de aanwezigheid van een rijke en gevarieerde kleine zoogdierfauna kan de soort op termijn redden. Het aanbieden van voedsel in strenge winters heeft zeker zijn nut, maar moet als een overgangsmaatregel worden gezien. Een natuurvriendelijk beheer van dijken, wegbermen, randen van boomgaarden, akkers en sloten is onontbeerlijk voor het behoud van de kerkuil in Nederland. In het kader van het soortbeschermingsplan wordt in Friesland en de Achterhoek momenteel onderzoek gedaan naar het beheer van perceelsranden en bermen ten behoeve van muizen en daarmee van de kerkuil. Ook het waar mogelijk muisvriendelijk inrichten van boerenerven kan een belangrijke rol spelen. Bij de Kerkuilen Werkgroep is een speciale folder verkrijgbaar die dit soort biotoop-maatregelen nader toelicht. Helaas vallen veel in wegbermen jagende kerkuilen ten prooi aan het verkeer. De bermen van drukke wegen dienen dus juist een muis-onvriendelijk beheer te krijgen, terwijl elders voor compensatie gezorgd dient te worden, bij voorbeeld in de vorm van ruige akkerranden en grazige dijkvegetaties. Verder is het zaak om precies te weten te komen, welke factoren de kansen op een succesvol broedsel bepalen. Nader onderzoek zal hier de komende jaren wellicht een antwoord op kunnen geven. Verder is het geregeld onderzoeken van braakballen van belang.

Aantal broedparen in Nederland: 1368 broedparen (1998)

Verspreiding in Nederland (1979):


Atlas van de Nederlandse Broedvogels,
Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland