IVN Vecht & Plassengebied - Kennis der Natuur


Excursies | Vogels | Vleermuizen | Natuurgebieden | Groencursus | Natuurgidsencursus | Organisatie | IVN Vecht & Plassengebied

Fotoboek | Natuurkrant | Vogelreis Falsterbo | Waterkwaliteit | Virtuele excursie Gunterstein | Poelenwerkgroep het Gooi

Snor (Locustella Luscinioides)

Snor (Locustella Luscinioides)


Geluid:

ETI BioInformatics, SoortenBank.nl

Grootte: -

Biotoop: uitgestrekte rietmoerassen met schaarse struiken.

De snor is een broedvogel van dichtbegroeide oevers van meren, moerassen en kreken, die zijn nest bouwt in overjarig riet of kruidachtige vegetaties die in het water groeien. Het voedsel bestaat uit kleine ongewervelden, die uit de vegetatie of van de grond worden gesnapt.

Territorium: -

Trekken of blijven: Snorren zijn trekvogels en brengen de winter door ten zuidoosten van de Sahara.

Bedreigd of niet? De soort staat op de Rode Lijst vanwege de duidelijke afname van de Nederlandse broedpopulatie.

Deze echte moerasvogel broedde tot ver in deze eeuw in grote delen van westelijk Nederland. In het oosten was de verspeiding beperkt tot veengebieden en de grote rivieren. Omstreeks 1975 bedroeg de - daarvoor nooit becijferde - Nederlandse populatie 1750-3000 paar. Sindsdien is de snor bijna overal in aantal afgenomen, ook in de voormalige bolwerken in het Utrechts/Hollands plassengebied en de Friese meren. Rond 1990 werd de stand geschat op 1000-1600 paar. De belangrijkste broedgebieden bevinden zich tegenwoordig in Friesland, Noordwest-Overijssel en de Biesbosch.

Het is niet geheel duidelijk in hoeverre de afname van de snor van doen heeft met problemen in de trek- en overwinteringsgebieden. Zeker is dat het onnatuurlijk waterbeheer ('s winters laag en 's zomers hoog) van veel door agrarisch gebied omgeven binnenwateren een rol speelt, evenals verdroging en verruiging van oevervegetatie en - plaatselijk - het omzetten van rietranden in akkerland. Daarnaast kan de toename van water- en oeverrecreatie en exploitatie van riet plaatselijk van belang zijn. Een goed en zo natuurlijk mogelijk beheer van oevervegetaties en rietlanden biedt de soort op ter- mijn de beste kansen. Waar riet gemaaid moet worden, verdient gefaseerd maaien de voorkeur. De afname van de soort wordt waarschijnlijk versterkt door de steeds verdere versnippering van zijn leefgebied. Vergroting van de hoeveelheid moeras door natuurontwikkeling kan hiervoor een oplossing bieden.

Aantal broedparen in Nederland: 1.500-2.500 broedparen (1987)

Verspreiding in Nederland (1979):


Atlas van de Nederlandse Broedvogels,
Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland