IVN Vecht & Plassengebied - Kennis der Natuur



Excursies | Vogels | Vleermuizen | Natuurgebieden | Groencursus | Natuurgidsencursus | Organisatie | IVN Vecht & Plassengebied

Fotoboek | Natuurkrant | Vogelreis Falsterbo | Waterkwaliteit | Virtuele excursie Gunterstein | Poelenwerkgroep het Gooi


Klapekster (Lanius excubitor)

Klapekster (Lanius excubitor)
Klik op de foto voor een groter exemplaar


 

Geluid:

ETI BioInformatics, SoortenBank.nl

De roep is een schel geschreeuw en geratel. De zang is zacht, met ertussendoor scherpe tonen.

Herkenning: L 24 cm. Iets groter dan een Zanglijster, iets kleiner dan een Merel. Beduidend groter dan de Grauwe Klauwier. Bidt vaak.

Voor elke vogelliefhebber is de waarneming van een Klapekster een waar hoogtepunt van de dag. Ze zijn, als men hun gewoonten ken, al vanaf een afstand te ontdekken, omdat ze in de topjes van boompjes, struiken, hekken of telefoondraden zitten. Daarvandaan loeren ze de omgeving af naar prooi die meetal bestaat uit wat grotere insekten, kleine knaagdieren of zangvogeltjes tot wel de grootte van een Zanglijster.

Biotoop: Klapeksters zijn vogels van ruige, vaak licht beboste open terreinen. In Nederland wordt vooral gebroed op heidevelden, hoogvenen en kap- of stormvlaktes in het bos. Het voedsel bestaat hoofdzakelijk uit woelmuizen en kevers.

Territorium: -

Komt in Nederland voor als: Jaarvogel. Klapeksters uit noordelijker streken overwinteren in ons land, maar de eigen broedvogels trekken niet ver weg. De kans om een Klapeskter in Nederland te zien, is het grootst in de wintertijd. De eerste trekkers zijn in september te verwachten, waarna de sterkste doortrek in oktober plaatsvindt. Van die doortrekkers blijven er een aantal tot in november. Van december tot en met maart zijn het meest honkvaste vogels die soms jaren achtereen op dezelfde plek overwinterend zijn terug te vinden. De terugtrek vindt plaats in maart en april, een enkele maal tot in mei.

Bedreigd of niet? De klapekster staat op de Rode Lijst vanwege de sterke afname en de zeer beperkte verspreiding van de Nederlandse broedpopulatie, en vanwege de gebondenheid aan kwetsbare leefgebieden.

Rond 1900 was de klapekster een schaarse, maar verspreide broedvogel in het oostelijk deel van het land. Reeds toen werd melding gemaakt van een afname, een trend die zich tot op heden heeft doorgezet. Rond 1950 waren wellicht nog zo'n 100 broedparen over, terwijl midden jaren zeventig nog enkele tientallen paren resteerden. Sindsdien zijn de broedgebieden in Drenthe, Overijssel, Noord-Brabant en Limburg vrijwel verlaten. In de eerste helft van de jaren negentig werd de populatie in Nederland geschat op 15 tot 40 paar, daarvan broede zo'n driekwart op de Veluwe.

De oorzaak voor de afname van de klapekster ligt grotendeels in de ontginning of bebossing van grote oppervlakten 'woeste gronden'. Ook de toenemende recreatie heeft een negatieve rol gespeeld. Uitwijken naar het steeds natuur-onvriendelijker boerenland was geen alternatief. Tot voor kort werd hier overigens wel overwinterd, maar ook daaraan lijkt inmiddels een eind te zijn gekomen. Kenmerkend voor het broedbiotoop van de klapekster is de rijke vegetatiestructuur; zowel de kruidlaag, de struiklaag als een - open - boomlaag dienen goed ontwikkeld te zijn. Een op geleidelijke overgangen gericht beheer van bossen, heidevelden en soortgelijke terreinen biedt dan ook de beste kansen aan de soort. Daarnaast blijken extensieve graslandjes en heggen op de grens van natuur- en landbouwgronden uitstekende voedselgebieden.

Aantal broedparen in Nederland: 1 (1998)


Atlas van de Nederlandse Broedvogels,
Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten in Nederland